Hoe het anders kan
Samen bouwen aan onderwijs dat verder kijkt dan het label.
Inleiding
Het toenemend labelen van kinderen binnen het onderwijs is de laatste jaren sterk zichtbaar geworden. Steeds meer kinderen krijgen diagnoses of labels zoals ADHD, ASS of gedragsproblemen om hun functioneren binnen de schoolcontext te verklaren. Hoewel labels in sommige situaties nuttig kunnen zijn om extra ondersteuning of begeleiding mogelijk te maken, brengen ze ook risico’s met zich mee. Kinderen worden vaak bekeken vanuit hun moeilijkheden in plaats van vanuit hun talenten en mogelijkheden. Hierdoor kan een label een grote invloed hebben op hun zelfbeeld, hun motivatie en hun kansen binnen het onderwijs en hun plaats binnen de samenleving. Daarom is het belangrijk om kritisch stil te staan bij hoe onderwijs inclusiever en begripvoller kan omgaan met verschillen tussen kinderen.
Relatiegericht onderwijs in plaats van labelgericht onderwijs
Een eerste belangrijke verandering is dat onderwijs minder probleemgericht en meer relatiegericht moet werken. Camp en Epstein (2025) benadrukken dat onderwijs niet alleen draait rond presentaties en resultaten, maar vooral rond relaties tussen leerkrachten en leerlingen. Volgens hen heeft de manier waarop een leerkracht naar een kind kijkt een grote invloed op het leerproces en het welzijn van dat kind.
Wanneer leerlingen voortdurend benaderd worden vanuit een label of diagnose, bestaat het gevaar dat zij zichzelf ook op die manier gaan zien. Kinderen kunnen het gevoel krijgen dat zij “anders” zijn of minder kunnen dan anderen. Dit kan leiden tot onzekerheid, schaamte en een negatief zelfbeeld. Daarom is het belangrijk dat leerkrachten verder kijken dan het label en aandacht hebben voor de volledige persoon achter de diagnose.
Daarnaast wijzen Camp en Epstein (2025) erop dat leerkrachten kritisch moeten nadenken over hun eigen verwachtingen en overtuigingen tegenover leerlingen. Labels kunnen onbewust leiden tot lagere verwachtingen. Wanneer een leerling bijvoorbeeld een label krijgt zoals ADHD of ASS, wordt gedrag sneller geïnterpreteerd als problematisch of storend.
Hierdoor krijgen sommige leerlingen minder kansen om zichzelf positief te tonen of verantwoordelijkheid op te nemen binnen de klas. Inclusief onderwijs vraag daarom dat leerkrachten bewust omgaan met verschillen tussen leerlingen en blijven geloven in hun groeimogelijkheden.
De invloed van labels op het zelfbeeld van kinderen
Ook Andretta (2024) beschrijft hoe labels een sterke invloed hebben op de sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Volgens haar vormen leerlingen vaak generalisaties over zichzelf op basis van labels die zij krijgen van leerkrachten, medeleerlingen of de schoolcontext. Wanneer een kind voortdurend hoort dat het “druk”, “moeilijk” of “zwak” is, kan het deze kenmerken beginnen zien als een vast onderdeel van zijn identiteit. Andretta (2024) verwijst hierbij naar de labeling theory van Becker, waarin beschreven wordt dat mensen zich vaak gaan gedragen volgens het label dat hen wordt opgelegd.
Daanaast legt Andretta (2024) uit dat labels niet alleen invloed hebben op hoe kinderen zichzelf zien, maar ook op hoe anderen met hen omgaan. Hierdoor kunnen leerlingen minder kansen krijgen, sneller veroordeeld worden of uitgesloten raken binnen de klasgroep. Leerkrachten kunnen onbewust stereotiep gedrag ontwikkelen tegenover leerlingen met een label, waardoor onderwijs niet langer vertrekt vanuit de echte noden van het kind, maar vanuit veronderstellingen die gekoppeld zijn aan het label.
Verder verwijst Andretta (2024) naar het onderzoek van Hattie, waaruit blijkt dat leerlingen beter presenteren wanneer leerkrachten hoge verwachtingen hebben en geloven in hun mogelijkheden. Wanneer een leerling voortdurend bekeken wordt vanuit een label, bestaat het risico dat leerkrachten lagere verwachtingen ontwikkelen.
Dit kan leiden tot een vicieuze cirkel waarbij leerlingen minder zelfvertrouwen ontwikkelen en uiteindelijk ook minder goed presenteren.
Een persoonsgerichte aanpak binnen inclusief onderwijs
Wormington en Linnenbrink-Garcia (2026) benadrukken het belang van een persoonsgerichte aanpak binnen onderwijs. Zij stellen dat leerlingen niet gereduceerd mogen worden tot één kenmerk of diagnose, maar dan onderwijs rekening moeten houden met het volledige profiel van een kind.
Leerlingen verschillen namelijk niet alleen op vlak van diagnoses, maar ook op vlak van motivatie, interesses, betrokkenheid en welzijn. Volgens de auteurs functioneren leerlingen beter wanneer onderwijs vertrekt vanuit hun sterktes in plaats van hun tekorten.
Daarnaast tonen Wormington en Linnenbrink-Garcia (2017) aan dat motivatieprofielen sterk verschillen tussen leerlingen en dat onderwijs flexibel moet omgaan met deze verschillen. Sommige leerlingen hebben meer nood aan positieve bevestiging of extra ondersteuning dan anderen. Wanneer onderwijs te sterk vasthoudt aan vaste verwachtingen en normen, lopen bepaalde leerlingen het risico voortdurend als “probleemleerlingen” gezien te worden. Inclusief onderwijs probeert daarom ruimte te creëren voor verschillende manieren van leren, denken en participeren. .
Welzijn belangrijker dan het label
Ook Zdoupas en Laubenstein (2026) tonen aan dat labels op zich weinig zeggen over het welzijn van leerlingen op school. Volgens hun onderzoek verklaren psychosociale problemen, zoals angst, onzekerheid of emotionele moeilijkheden, veel sterker hoe leerlingen zich voelen binnen de schoolcontext dan administratieve labels zoals SEN-labels. De onderzoekers benadrukken dat vooral internaliserende problemen, zoals angst en depressieve gevoelens, een sterke negatieve invloed hebben op het schoolwelzijn van leerlingen.
Zdoupas en Laubenstein (2026) stellen bovendien dat labels vaak te algemeen zijn en weinig vertellen over de werkelijke noden van een leerling. Twee kinderen met hetzelfde label kunnen immers totaal verschillende ondersteuningsnoden hebben. Daarom pleiten zij voor een meer symptoomgerichte en mensgerichte aanpak waarbij scholen inzetten op het welzijn en de psychosociale ondersteuning van alle leerlingen, ook van kinderen zonder officieel label.
Volgens de auteurs moeten scholen meer aandacht besteden aan vroegtijdige detectie van emotionele problemen en aan een multidimensionele kijk op welzijn. Dit betekent dat scholen verder moeten kijken dan diagnoses alleen en meer aandacht moeten hebben voor hoe kinderen zich werkelijk voelen binnen de klas en op school.
Differentiatie en een positief schoolklimaat
Een ander belangrijke manier waarop onderwijs inclusiever kan worden, is door sterker in te zetten op differentiatie. Inclusief onderwijs betekent niet dat alle kinderen exact hetzelfde moeten doen op hetzelfde moment, maar wel dat elk kind de kans krijgt om zich optimaal te ontwikkelen. Door lessen aan te passen aan verschillende niveaus, interesses en ondersteuningsnoden kunnen meer leerlingen succesvol deelnemen aan het klasgebeuren zonder dat zij zich “anders” hoeven te voelen.
Daarnaast is ook een positief schoolklimaat essentieel. Kinderen leren beter wanneer zij zich veilig, gewaardeerd en gehoord voelen. Andretta (2024) benadrukt dat sociale en emotionele ontwikkeling een belangrijke basis vormt voor schoolsucces en welbevinden. Wanneer scholen inzetten op empathie, verbondenheid en herstelgericht werken, ontstaat er meer ruimte voor begrip tussen leerlingen en leerkrachten. Gedrag wordt dan niet onmiddellijk gezien als “storend” of “problematisch”, maar als een signaal dat een kind ondersteuning nodig heeft.
Bovendien moeten scholen kritisch nadenken over het onderwijssysteem zelf. Vaak worden kinderen gelabeld omdat zij niet passen binnen de verwachtingen van het traditionele onderwijs. Onderwijs verwacht nog te vaak dat leerlingen op dezelfde manier leren, stilzitten, plannen en presenteren.
Kinderen die hiervan afwijken, krijgen sneller een label. Inclusief onderwijs vraagt daarom niet alleen aanpassingen van leerlingen, maar ook structurele veranderingen binnen scholen. Meer ondersteuning voor leerkrachten, kleinere klasgroepen, samenwerking met zorgteams en aandacht voor mentaal welzijn zijn noodzakelijk om echt inclusief onderwijs mogelijk te maken.
Conclusie
Tot slot kan gesteld worden dat onderwijs inclusiever en begripvoller kan omgaan met verschillen door kinderen niet te reduceren tot hun label, maar hen te bekijken als unieke personen met talenten, noden en mogelijkheden. Relatiegericht werken, differentiatie, empathie en aandacht voor welzijn vormen hierbij belangrijke elementen. De verschillende onderzoeken tonen duidelijk aan dat labels een grote invloed kunnen hebben op het zelfbeeld, de kansen en het welzijn van kinderen. Daarom is het essentieel dat scholen verder kijken dan diagnoses en administratieve categorieën. Wanneer onderwijs erin slaagt verschillen te zien als een meerwaarde in plaats van een probleem, krijgen kinderen meer kansen om positief naar zichzelf te kijken en volwaardig deel uit te maken van zowel het onderwijs als de samenleving.
Maak jouw eigen website met JouwWeb