Dieper graven: theoretisch kader

Ontdek de wetenschap achter labels en kijk mee verder dan gedrag alleen. 

Psychiatrisering en labeling - Vanheule 

Binnen het onderwijs krijgen kinderen vandaag sneller labels zoals ADHD of ASS. Uit het jaarverslag van 2024 van het CLB blijkt dat het aantal leerlingen met een diagnose van een aandachtsprobleem in de afgelopen drie jaar verdubbeld is. Het gaat hierbij echter om cijfers die gebaseerd zijn op de geschreven GC-verslagen en niet op definitieve diagnoses (Jaarverslagen Vrij CLB Netwerk, 2024). 

Deze evolutie omschrijft klinisch psycholoog Stijn Vanheule als psychiatrisering. Daarmee bedoelt hij dat gedrag steeds vaker bekeken wordt vanuit een medisch of psychiatrisch perspectief (Vanheule, 2013). Hoewel een diagnose kinderen extra ondersteuning en begrip kan bieden, bestaat ook het risico dat kinderen vooral bekeken worden vanuit hun label. 

Volgens Vanheule (2013) worden gedragingen van kinderen steeds sneller geïnterpreteerd als symptomen van een stoornis. Daardoor verschuift de aandacht soms van de context naar het ‘probleem’ binnen het kind zelf. De omgeving en de omstandigheden waarin een kind opgroeit, krijgen hierdoor minder aandacht. 

Kinderen met een diagnose krijgen op school bovendien vaak te maken met vooroordelen of negatieve reacties. Dit kan een invloed hebben op hun zelfbeeld en op de manier waarop ze zichzelf zien binnen de klasgroep (Van der Zwaan, 2017). 

Toch heeft labeling niet alleen negatieve gevolgen. Volgens Doelman (2026) kan een diagnose ook zorgen voor erkenning, begrip en aangepaste ondersteuning. Tegelijk bestaat het gevaar dat kinderen zich te sterk gaan identificeren met hun label, waardoor andere talenten en eigenschappen minder zichtbaar worden. 

Daarnaast mogen eigenschappen zoals creativiteit of impulsiviteit niet volledig gekoppeld worden aan ADHD. Kinderen moeten in de eerste plaats gezien worden als unieke personen en niet enkel vanuit hun diagnose (Van Langen, 2024). 

Gert Biesta

Daarnaast gebruikten wij de visie van Gert Biesta. Biesta stelt de vraag: “Waarvoor dient onderwijs eigenlijk?” Hij legt uit waarom goed onderwijs niet altijd gebaseerd moet zijn op wat meetbaar is. Volgens hem bestaat het risico dat onderwijs zich enkel begint te richten op resultaten en metingen. Hij voegt daaraan toe dat we dan beginnen te waarderen wat we meten, in plaats van te meten wat we waardevol vinden. Daarom pleit Biesta ervoor dat onderwijs meer is dan prestaties en cijfers (Biesta, 2012). 

Een goede leerkracht kijkt niet alleen naar cijfers of prestaties, maar probeert het volledige kind te zien. Onderwijs mag niet herleid worden tot enkel kennisoverdracht. Persoonsvorming en welzijn zijn minstens even belangrijk. 

Biesta benadrukt dat we bewust moeten omgaan met de verschillende functies van onderwijs om te kunnen nadenken over wat goed onderwijs is. Hij beschrijft drie belangrijke functies van onderwijs. Kwalificatie verwijst naar de kennis en vaardigheden die kinderen leren om goed te 

functioneren in de samenleving. Socialisatie gaat over hoe leerlingen deel worden van de samenleving en kennismaken met sociale en culturele normen en waarden. Subjectivering verwijst naar de ontwikkeling van een eigen identiteit en een eigen perspectief. Volgens Biesta ontstaat goed onderwijs vanuit een evenwicht tussen deze drie domeinen. Onderwijs draait dus niet alleen om cijfers, maar ook om persoonlijke ontwikkeling en samenleven (Biesta, 2012). 

Deze visie sluit sterk aan bij ons project Kinderen zijn meer dan een label, omdat Biesta benadrukt dat kinderen meer zijn dan hun prestaties of resultaten. 

Émile Durkheim 

Ook volgens Émile Durkheim speelt onderwijs een belangrijke rol in het leren functioneren binnen de samenleving. Scholen bepalen mee welk gedrag als wenselijk wordt beschouwd. Daardoor kan afwijkend gedrag sneller als problematisch gezien worden (Durkheim, 1922). Zo zien we dat maatschappelijke normen een grote invloed hebben op de labels die kinderen krijgen. 

Deze maatschappelijke verwachtingen kunnen ervoor zorgen dat sommige kinderen sneller als “anders” of “moeilijk” worden gezien. 

De visie van John Dewey beschouwt onderwijs als een sociaal en democratisch proces. Volgens Dewey leren kinderen het best door actief deel te nemen, samen te werken en ervaringen op te doen (Dewey, 1916). Daarom vinden wij dat kinderen kansen moeten krijgen om zichzelf te ontwikkelen en te groeien. Deze visie toont aan dat elk kind groeikansen nodig heeft en niet vastgezet mag worden in een bepaald label of stereotype. 

Ongelijkheid

Labels kunnen ook invloed hebben op de kansen die leerlingen krijgen binnen onderwijs. Het Mattheuseffect beschrijft hoe leerlingen die al veel kansen hebben, vaak nog meer kansen krijgen, terwijl kwetsbare leerlingen sneller achteropraken (Van Loon & Van Loon, 2025). 

Daarnaast speelt ook het Pygmalioneffect een belangrijke rol. De verwachtingen van leerkrachten hebben namelijk een invloed op de prestaties en het zelfbeeld van leerlingen (Peeters, 2026). Wanneer leerkrachten onbewust lagere verwachtingen hebben van leerlingen met een label, kan dit hun ontwikkeling negatief beïnvloeden. Daarom is het belangrijk dat leerlingen niet alleen bekeken worden vanuit hun beperkingen, maar ook vanuit hun mogelijkheden, talenten en groeikansen. 

Maatschappelijke kwetsbaarheid en sociale ongelijkheid 

Maatschappelijke kwetsbaarheid verwijst naar het proces waarbij bepaalde groepen vooral negatieve ervaringen opdoen binnen maatschappelijke instellingen. Binnen het onderwijs betekent dit dat leerlingen uit sociaal kwetsbare milieus minder succeservaringen opdoen en daardoor sneller een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Volgens deze theorie speelt de school een belangrijke rol in het versterken of net doorbreken van maatschappelijke kwetsbaarheid (Vettenburg & Walgrave, 2009). 

Dit sluit aan bij wat Nicaise beschrijft over sociale ongelijkheid en sociale uitsluiting in het onderwijs. Kinderen uit kansarme gezinnen, gezinnen met een migratieachtergrond of gezinnen met een lage sociaaleconomische status hebben van bij de start minder onderwijskansen (Nicaise, 2008). Ook ongelijkheden in omstandigheden, zoals gezondheidsproblemen of medische stoornissen, kunnen ervoor zorgen dat kinderen sneller ongelijk behandeld worden (Nicaise, 2008). 

Hierdoor zien we dat labels niet alleen ontstaan vanuit gedrag of prestaties, maar ook sterk beïnvloed worden door sociale omstandigheden. 

Sociale segregatie 

Daarnaast bekeken we hoe onderwijs soms onbewust ongelijkheid versterkt. Een belangrijk begrip hierbij is sociale segregatie. Dat betekent dat kinderen uit bepaalde sociale groepen vaker samen terechtkomen in dezelfde scholen. Ook discriminatie binnen het onderwijs speelt hierin een rol, soms onbewust door etiketten of vooroordelen. 

Bij sociale segregatie zien we dat kinderen uit kansarme milieus sneller als “probleemleerling” worden gezien. Hierdoor ontstaan vaker ongelijke behandeling en discriminatie. Ook het mattheuseffect komt hier naar voren: kinderen die al meer kansen hebben, krijgen vaak nog extra voordelen. 

Dit versterkt de ongelijkheid tussen kinderen en toont hoe labels invloed kunnen hebben op de kansen die kinderen krijgen binnen onderwijs. 

Proportioneel universalisme 

Met ons project Kinderen zijn meer dan een label geloven we dat proportioneel universalisme van groot belang is. We willen vermijden dat kinderen gereduceerd worden tot één label of stereotype. Proportioneel universalisme houdt net rekening met verschillen zonder kinderen vast te zetten in stereotypen (Kind en Gezin, 2017). 

Dit betekent dat elk kind ondersteuning moet kunnen krijgen volgens zijn of haar noden, zonder uitgesloten of gestigmatiseerd te worden. 

Feministische zorgethiek 

De feministische zorgethiek legt de nadruk op menselijke relaties. Binnen deze visie staan verbondenheid en aandacht voor de noden van anderen centraal. Kinderen ontwikkelen zich niet los van hun omgeving, maar groeien door interacties met anderen. Daarom mag onderwijs zich niet uitsluitend richten op prestaties of resultaten, maar moet er ook aandacht zijn voor welzijn, veiligheid en betekenisvolle relaties. 

De zorgethiek sluit sterk aan bij ons project kinderen zijn meer dan een label, omdat verbondenheid een belangrijk aspect is in het ontwikkelingsproces van een kind (Noddings, 2005). Een kind moet gezien worden als een volledig persoon en niet enkel vanuit een probleem, diagnose of label. 

Dit sluit ook aan bij de visie van Ubuntu, die benadrukt dat mensen deel uitmaken van een groter geheel en zich ontwikkelen in verbondenheid met anderen (Tutu, 1999). Vanuit deze visie groeit een kind niet alleen als individu, maar ook in relatie met anderen en de gemeenschap rondom zich. 

Ubuntu benadrukt daardoor het belang van inclusie, verbondenheid en respect voor elk kind, wat nauw aansluit bij de kern van ons project Kinderen zijn meer dan een label. 

Inclusief onderwijs 

Inclusief onderwijs probeert ervoor te zorgen dat alle kinderen kunnen deelnemen aan het gewone onderwijs, ook leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Het Vlaamse Decreet Leersteun benadrukt dat leerlingen zoveel mogelijk ondersteund moeten worden binnen het reguliere onderwijs (Vlaamse Gemeenschap, 2023). 

Volgens het principe van proportioneel universalisme heeft niet elk kind dezelfde ondersteuning nodig om gelijke kansen te krijgen. Sommige kinderen hebben meer begeleiding nodig dan anderen (Marmot, 2010). 

Ook Biesta benadrukt dat goed onderwijs niet alleen draait om prestaties, maar ook om persoonsvorming en participatie (Biesta, 2015). Kinderen moeten de kans krijgen om zichzelf te ontwikkelen als unieke persoon en actief deel te nemen aan de samenleving. 

Daarnaast stelde Durkheim dat onderwijs een belangrijke rol speelt in het doorgeven van normen en waarden. Scholen bepalen daardoor mee welk gedrag als ‘normaal’ wordt beschouwd (Durkheim, 1922). 

Inclusief onderwijs betekent daarom dat scholen verder kijken dan labels alleen en aandacht hebben voor de talenten, noden en mogelijkheden van elk kind. 

Conclusie

Met dit theoretisch kader probeerden we een antwoord te formuleren op de vraag: 
“Op welke manier beïnvloedt het toenemend labelen van kinderen hun kansen, zelfbeeld en plaats binnen het onderwijs en de samenleving en hoe kunnen we als onderwijs inclusiever en begripvoller omgaan met verschillen tussen kinderen?” 

Het toenemend labelen van kinderen kan een grote invloed hebben op hun kansen en zelfbeeld. Daardoor wordt ook hun plaats binnen het onderwijs en de samenleving beïnvloed. We merken dat labels zoals ADHD of ASS enerzijds zorgen voor erkenning, begrip en aangepaste ondersteuning. Anderzijds bestaat het risico dat kinderen vooral bekeken worden vanuit hun diagnose. Daarnaast tonen theorieën zoals het Pygmalioneffect aan dat labels invloed hebben op kansen binnen het onderwijs. Kinderen die al kwetsbaar zijn krijgen vaker te maken met lagere verwachtingen, zoals beschreven wordt bij het Mattheuseffect. Ook sociale ongelijkheid en maatschappelijke kwetsbaarheid spelen hierin een belangrijke rol. 

Vanuit de visies van Biesta, Dewey en Durkheim zien we dat onderwijs meer moet zijn dan prestaties. Onderwijs moet kinderen helpen groeien als persoon. Ook moeten kinderen de kansen krijgen om zichzelf te ontwikkelen en actief deel te nemen aan de samenleving. 

Om inclusiever en begripvoller om te gaan met verschillen tussen kinderen moet onderwijs aandacht hebben voor verbondenheid en gelijke kansen. Ook de feministische zorgethiek en de visie van Ubuntu benadrukken het belang van respect en zorgzame relaties. Elk kind heeft eigen talenten en noden. 

Daarom geloven wij met ons project Kinderen zijn meer dan een label dat elk kind gezien moet worden als een unieke persoon met eigen talenten en mogelijkheden. Inclusief onderwijs betekent dat verschillen erkend en ondersteund worden zodat elk kind zich welkom, veilig en gewaardeerd voelt binnen de school en de samenleving. 

Maak jouw eigen website met JouwWeb